The New Forest

>
Nederlands - English

ANTON DAUTZENBERG: “Het wetboek is een fictieve constructie”

Gerelateerde voorstellingen:

Hieronder het volledige interview met Anton Dautzenberg over De Wet. Een verkorte versie verscheen eerder in de Kwartaalkrant van de Rotterdamse Schouwburg en deze site.

In maart gaat de nieuwste voorstelling van het project The New Forest in première: De Wet. Samen met de Koninklijke Vlaamse Schouwburg (KVS) en een bijzondere groep kunstenaars maakt Acteursgroep Wunderbaum een theatraal drieluik over de grenzen van de wet en de wetten van de grens. In het team zit ook de opzienbarende schrijver Anton Dautzenberg die zijn toneeldebuut maakt met een kritische blik op het Hoogaltaar van de Waarheid: de rechtspraak.

We hebben je gevraagd een toneeltekst te schrijven op basis van Nederlandse rechtszaken over (vermeende) Somalische piraten. Waarom heb je toegezegd?

Dautzenberg: “Wat mij meteen trok was enerzijds de romantische voorstelling die we van piraterij hebben en anderzijds de bravoure waarmee die rechtszaken besproken en beschreven worden. Dat Nederlanders in het buitenland ‘piraten gaan vangen’ en zich vervolgens op de borst kloppen, wekt bij mij meteen argwaan. Het hele achterliggende internationale spel – de positie van Nederland binnen Europa en de NAVO – probeert men te camoufleren met bewoordingen als: ‘wij zorgen ervoor dat het recht zegeviert.’ Het is natuurlijk je reinste post-kolonialisme. Wat hebben we in Somalië te zoeken? Helemaal niks.”

“Vervolgens heb ik een aantal gesprekken gevoerd. Eerst met Matijs Jansen en Walter Bart van Wunderbaum, daarna met rechters, advocaten en een Somalische tolk. Toen werd het interessant. Al deze mensen beweren min of meer dat zij de waarheid vertegenwoordigen. Ook al relativeren ze dat, toch worden ze gedwongen een bepaalde koers te varen. Eigenlijk zetten ze bij zo’n koers zelf ook veel vraagtekens, maar die kunnen ze vanuit hun functie niet uiten.”

In je tekst laat je verschillende personages aan het woord: een rechter, een advocaat, een officier van justitie, een commandant van de marine, een activist en zelfs iemand uit het publiek. De somalier zelf, om wie het uiteindelijk allemaal draait, laat je niet aan het woord.

“Ja, dat is een bewuste keuze. Er wordt alleen maar over de somalier wordt gesproken en niet met hem. Niemand is echt in hem geïnteresseerd. Toch is hij niet de eendimensionale figuur die elke spreker van hem probeert te maken.”

Elk van die personages heeft zijn eigen waarheid over wat er gebeurd is voor de kust van Somalië.

“Ik moest aan Rashômon denken, een prachtige film van Akira Kurosawa die als een van de eerste cinematografen heel expliciet heeft laten zien hoe wij omgaan met het begrip werkelijkheid. Uiteenlopende visies op één-en-dezelfde gebeurtenis heeft hij echt invoelbaar en gelijkwaardig gefilmd. Een prachtige keuze om geen keuzes te maken en de toeschouwer in het ongewisse te laten.”

FEITEN

Je introduceert trouwens nog een ander personage: de ‘fact checker’. Wat is dat voor iemand?

“Tja, wat zijn dat eigenlijk voor mensen? Ze zijn een beetje saai. Ze stralen geloofwaardigheid uit en roepen geen ambiguïteit op. Fact checkers zijn commentatoren die pretenderen boven alle partijen te staan. Ze ijken of het klopt wat er beweerd wordt. Maar goed, facts zijn altijd selectief en voor interpretatie vatbaar. Het is en blijft retoriek. De vermeende objectiviteit van een discussieprogramma wordt erdoor verhoogd, terwijl die objectiviteit eigenlijk totale onzin is.

Fact checkers zijn vaak statistici die schermen met diagrammen, cijfertjes en onderzoeksresultaten. Om die reden komt in mijn toneeltekst ook een verkiezingspoll voor. De politiek koerst, heel opportunistisch, steeds vaker op het kortetermijndenken van zulke polls. Fact checkers zetten een werkelijkheid neer waar iedereen zich op gaat richten. Terwijl gewoon fictie wordt verkocht. Bizar he?”

In al je werk –ook in je romans en je journalistieke bijdragen – torn je aan de zogenaamde instrumenten van de waarheid. De spreekwoordelijke bijsluiter over wat echt en niet echt is, laat je achterwege.

“Ja bewust, die moet je er niet bij geven. Als je in krant een stuk schrijft in de vorm van een nieuwsartikel – ook al is het fictief – zijn mensen geneigd te denken dat het klopt. Ze denken bijna niet meer na bij de codes die ze in de journalistiek aangereikt krijgen. Een schrijver mag fabuleren, dat is zijn vak. Maar als schrijver wordt het me kwalijk genomen. Bij een interview met een politicus nemen ze alles voor waarheid aan. Terwijl er natuurlijk ook grote onzin wordt beweerd. De politicus speelt voortdurend met die codes, uit electorale overwegingen. Hem wordt dat niet kwalijk genomen. Dat spanningsveld verken ik vaker. De redactie van Pauw en Witteman ging helemaal na of mijn nierdonatie in mijn boek Samaritaan echt plaats had gevonden of niet. Ik antwoordde: ‘Dus jullie veronderstellen dat politici liegen en dat schrijvers de waarheid vertellen. Dat is toch de omgekeerde wereld!’ Heerlijk vind ik het om met die verwarring te spelen.”

“‘Waarheid’ en ‘werkelijkheid’ zijn natuurlijk niet meer dan woorden en begrippen. We hebben het idee dat we een bepaalde consensus kunnen vinden, en dat is dan de waarheid. Maar die bestaat natuurlijk helemaal niet. Je moet het toch uiteindelijk met je perceptie doen en met de afspraken die je maakt.”

AFVOERPUTJES

Je schrijft vaak over ‘de rafelranden van de moraal’: de taboes in onze samenleving. In je gedichtenbundel Smerig gezwel wat je bent beveel je ‘zulke afvoerputjes’ iedereen van harte aan. Hoezo?

“Aan die rafelranden gebeurt het. Daar heb je opinie van de meerderheid en de mening van een enkeling. En dat schuurt. Blijkbaar wil die grote groep die enkeling wegduwen, terwijl de enkeling ook opgenomen wil worden in de meerderheid. Dat spanningsveld – en de manier waarop politiek en journalistiek daarmee omgaan – vind ik heel fascinerend. We hebben blijkbaar altijd de behoefte om zondebokken te creëren, op wie we ons ongenoegen kunnen projecteren. Om de zondebok heen ontstaan dan de sanitaire afvoerputjes van onze maatschappelijke moraal.”

“Een taboe is fascinerend. Vooral ook omdat het taboe elk decennium weer anders geijkt wordt. En hoe komt dat dan? Daar ben ik in geïnteresseerd. Ik kan wel meehuilen met de wolven in het bos en zeggen ‘die persoon deugt niet’. Maar ik wil juist nagaan waarom mensen zeggen dat die persoon niet deugt. Daarom zoek ik mensen op als Marthijn Uittenbogaard of Diederik Stapel.”

“Ik schreef trouwens dat ik die afvoerputjes aan iedereen ‘met een ongezonde levensdrift’ kon aanraden. Er komt namelijk heel veel op je af, en dat is niet fris. Op het moment dat je kinderen en een hypotheek hebt, kun je je dat niet permitteren. Je wordt ontslagen, niemand wil iets met je te maken hebben… Als je eenmaal in die rafelranden gaat zitten – bijvoorbeeld bij de vereniging MARTIJN – raak je besmet. Je wordt bijna als radioactief afval behandeld, terwijl je eigenlijk niks anders bent dan een schrijver die dat gebied verkent. En toch raak je besmet.”

MENINGEN

In de tekst die je voor De Wet geschreven hebt, zijn er twee taboes: naast het taboe van ‘de waarheid’ is er ook nog het taboe van ‘de eigen mening’. Je maakt duidelijk dat meningen helemaal niet zo eigen zijn, maar juist voorgekauwd.

“Precies. Die twee taboes zijn trouwens twee assen binnen eenzelfde spectrum. Ik vraag me af wat een mening waard is. We hebben allemaal een mening, maar waarom eigenlijk? Uiteindelijk gaat dat toch over het voeden van je ego, over je positioneren ten opzichte van anderen. Misschien is het ook wel een kwestie van overleven.”

De as van de objectieve waarheid staat dus in verband met de as van de subjectieve mening. Waarom zijn beide assen nu zo prominent aanwezig, denk je?

“Misschien raken ze aan de essentie van het menszijn. We zijn continu op zoek naar houvast, duiding en zingeving. Terwijl we ergens in ons achterhoofd ook wel weten dat dat zinloos is. Dus nemen we genoegen met constructies die we als ‘authentiek’ van de hand doen.”

Zoals?

“Een simpel voorbeeld: mensen hebben op hun morele lijstje staan dat liegen niet mag, terwijl iedereen de hele dag liegt. Liegen is bij uitstek hét overlevingsmechanisme. We verhouden ons dus eigenlijk tot bedachte constructies. En dan kom je automatisch uit bij het wetboek. Dat is natuurlijk ook een fictieve constructie. Alleen heeft het een hardheid gekregen alsof het de absolute maatstaf is. Net zoals de Bijbel die hardheid heel lang heeft gehad. We hebben er blijkbaar behoefte aan, die hardheid.”

Heb jij er behoefte aan?

“Nee. Ik vind het veel interessanter om een vraag verder uit te bouwen dan een antwoord te vinden. Dat vind ik heerlijk. Ook in de literatuur vind ik het fijn als niet alle eindjes kloppen, als het ontploft ofzo.”

Veroordeel je de hardheid van zulke constructies?

“Veroordelen is een groot woord. Wel heb ik een soort misantropie, een soort mensenhaat die uit deze analyse voortkomt. Maar misschien vind ik nog een schakel in mijn hoofd waardoor ik het allemaal positiever kan bekijken. Want misantropie is op zichzelf natuurlijk ook gewoon weer een constructie en een projectie.”

 

Een greep uit het oeuvre van A.H.J. Dautzenberg:
-          En dan komen de foto’s (roman, Atlas-Contact, 2014)
–          Quiet 500 (magazine, 2013)
–          Rafelranden van de moraal (novelle, Atlas-Contact, 2013)
–          Extra tijd (roman, Atlas-Contact, 2012)
–          Samaritaan (roman, Uitgeverij Contact, 2011)
–          Vogels met zwarte poten kun je niet vreten (verhalenbundel, Uitgeverij Contact, 2010)